vvnk_hoofd

Kunstenaars & fabrieken

Korte beschrijvingen

De hieronder vermelde kunstenaars en fabrieken worden beschreven in de publicatie 'Vernieuwing & Bezinning'. Deze is in 2004 uitgegeven door het Drents Museum en Waanders Uitgevers (sinds enkele jaren WBOOKS) in samenwerking met de SSK 1900 en de financiële steun van de VVNK 1900. De beschrijvingen zijn met toestemming overgenomen uit deze publicatie. Auteur: Jan Jaap Heij, (inmiddels oud-)conservator Drents Museum.
Deze beschrijvingen worden in de loop van de tijd aangevuld met korte monografiën over kunstenaars die niet in deze publicatie beschreven zijn.

De totale lijst met kunstenaars is als pdf document te openen en op te slaan.

Raadpleeg alfabetische namenlijst of afbeeldingenlijst of zoek met 1 woord in

kunstenaarslijst kunstenaarsbeschrijving

namenlijst | afbeeldingenlijst

Beschrijving per kunstenaar/fabriek

vorige | volgende

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

92. Mondriaan, Pieter Cornelis (Piet)
(Amersfoort 1872 - 1944 New York)
schilder, tekenaar
Mondriaan, die de zoon was van een hoofdonderwijzer, kreeg zijn eerste tekenlessen van zijn vader, die een verdienstelijk (amateur)tekenaar was, en behaalde al in 1889 zijn LO-akte. Vervolgens gaf hij enige tijd tekenles op de school van zijn vader, terwijl hij daarnaast af en toe buiten schilderde samen met zijn oom Frits Mondriaan, een succesvol landschapsschilder in de trant van de Haagse School. Nadat hij in 1892 zijn MO-akte had behaald, vertrok Mondriaan naar Amsterdam om de lessen te volgen aan de Rijksakademie. Daar raakte hij al gauw bevriend met andere jonge kunstenaars, onder wie Simon Maris en Marinus van Raalte, met wie hij er geregeld op uittrok om in de omgeving van de stad te schetsen. In 1894 werd hij lid van Arti et Amicitiae en in 1897 van Sint Lucas.
Vanaf circa 1900 begon Mondriaan langzamerhand afstand te nemen van de principes van de Haagse School die tot dan zijn werk hadden bepaald. Zijn kleurgebruik werd uitgesprokener en zijn vormgeving wat strakker en gestileerder. Zijn werk begon steeds meer op te vallen en rond 1905 werd hij door velen gezien als een van de voormannen van het luminisme. Toch kreeg hij in 1906 nog een prijs uit het Willink van Collenfonds. Ook het luminisme kon hem niet blijvend bekoren en na enkele jaren begon hij daarom, mede onder invloed van de theosofie waarin hij steeds meer geïnteresseerd was geraakt, verder te zoeken naar een manier van schilderen waarmee hij kon uitdrukken welke principes en wetmatigheden achter de waarneembare werkelijkheid verborgen lagen. Naast landschappen schilderde en aquarelleerde hij een aantal symbolistische vrouwenportretten, culminerend in het curieuze drieluik Evolutie uit 1911 (Gemeentemuseum Den Haag, maar figuurstukken lagen hem duidelijk niet en daarom besloot hij te onderzoeken of het kubisme betere uitgangspunten bood. In Nederland verwachtte hij hiermee niet veel verder te komen en daarom vertrok hij begin 1912 naar Parijs, de bakermat van deze stroming. In de periode tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde hij op basis van het cubisme een geheel abstracte stijl, waarin de aanzetten tot zijn latere composities met rechthoeken al zichtbaar zijn. De Eerste Wereldoorlog bracht hij noodgedwongen weer in Nederland door, waar hij echter niet in Amsterdam ging wonen, maar in Laren. Hier raakte hij bevriend met Theo van Doesburg, die hem betrok bij de oprichting van het tijdschrift De Stijl. In het eerste nummer, dat in oktober 1917 uitkwam, stond de eerste van de reeks teksten afgedrukt, waarin hij zijn ideeën uiteen heeft gezet. Van de groep kunstenaars die met dit tijdschrift in verbinding stonden, de zogenoemde 'Stijl-groep', was hij degene die het meest consequent met de traditionele kunstopvattingen brak en door velen werd hij dan ook al gauw gezien als de onbetwiste voorman van de abstracte kunst in Nederland.
In juni 1919 vertrok Mondriaan opnieuw naar Parijs om nooit meer in Nederland terug te keren. Hij ontwikkelde hier zijn bekende, steeds verder versoberende geometrisch-abstracte stijl, waardoor hij wereldberoemd is geworden. Hij bleef tot 1938 in Parijs wonen, van waaruit de band met Nederland steeds losser werd, al bleef hij met verschillende vrienden, onder wie Maris, Charley Toorop en J.J.P. Oud, contact houden. Met Van Doesburg kreeg hij echter in 1924 onenigheid over een kunsttheoretische kwestie, die ertoe leidde dat hij zijn medewerking aan De Stijl opzegde. In 1938 verhuisde hij, uit angst voor een mogelijke oorlog, naar Londen, van waaruit hij in 1939 naar New York emigreerde, waar zijn werk in de laatste jaren van zijn leven nog een opmerkelijke ontwikkeling zou doormaken.

Zie ook www.mondriaanhuis.nl


vorige | volgende


View Vereniging Vrienden Nieuwe Kunst 1900 - LinkedIn Group

wijzig lettergrootte

 


koning

Konings Kunst
van Parijs tot de Veluwe,
(auteur Elizabeth Yates)
Schaffelaarsreeks nr. 45,
Uitgave Koninklijke BDU Uitgevers B.V., Barneveld, 2008

essers

Bernard Essers
1893-1945

(auteurs Piet Spijk &
Annemarie Timmer)
Uitgave Drents Museum en Waanders Uitgevers, 2008

moulyn_pub

Simon Moulijn
1866-1948

(auteurs Erik Ariëns Kappers,
Maarten Bunt,
Jan Jaap Heij)
Uitgave Drents Museum, Dordrechts Museum, Goltziusmuseum,
1979