vvnk_hoofd

Kunstenaars & fabrieken

Korte beschrijvingen

De hieronder vermelde kunstenaars en fabrieken worden beschreven in de publicatie 'Vernieuwing & Bezinning'. Deze is in 2004 uitgegeven door het Drents Museum en Waanders Uitgevers (sinds enkele jaren WBOOKS) in samenwerking met de SSK 1900 en de financiële steun van de VVNK 1900. De beschrijvingen zijn met toestemming overgenomen uit deze publicatie. Auteur: Jan Jaap Heij, (inmiddels oud-)conservator Drents Museum.
Deze beschrijvingen worden in de loop van de tijd aangevuld met korte monografiën over kunstenaars die niet in deze publicatie beschreven zijn.

De totale lijst met kunstenaars is als pdf document te openen en op te slaan.

Raadpleeg alfabetische namenlijst of afbeeldingenlijst of zoek met 1 woord in

kunstenaarslijst kunstenaarsbeschrijving

namenlijst | afbeeldingenlijst

Beschrijving per kunstenaar/fabriek

vorige | volgende

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

134. Veth, Jan Pieter (Jan)
(Dordrecht 1864 - 1925 Amsterdam)
graficus, schilder, tekenaar
Veth, die afkomstig was uit een gegoed, kunstlievend milieu, kreeg zijn opleiding aan de Rijksakademie te Amsterdam (1880-1885). Hier raakte hij bevriend met medestudenten als Antoon Derkinderen, Jan Toorop, Maurits van der Valk en Willem Witsen, die hem in contact brachten met een aantal jonge literatoren, onder wie Willem Kloos, Albert Verwey en Frederik van Eeden. Toen in 1885 door hen De Nieuwe Gids werd opgericht - het tijdschrift dat de spreekbuis van de Tachtigers zou worden - was Veth van de partij; samen met Witsen en Van der Valk ging hij de beeldende-kunstrubriek verzorgen.
Met zijn eigen beeldende werk trad hij ondertussen ook naar buiten, vooral met portretten, zowel geschilderde als getekende. Veel succes had hij met een groot portret van Verwey, dat in 1885 te zien was bij Arti et Amicitiae (waarvan hij in 1882 lid was geworden) en dat hem meerdere portretopdrachten opleverde. Toch wist hij nog niet of hij in deze richting verder wilde gaan en hij trok er geregeld op uit om buiten landschappen te schilderen. Tevens ging hij zich nu toeleggen op het etsen; samen met Derkinderen en Witsen en nog diverse andere vrienden en collega's richtte hij in 1885 de 'Nederlandsche Etsclub' op, waarvan hij secretaris werd. Doel was om gezamenlijk grafisch werk te exposeren en in mappen ter verkoop aan te bieden. Nadat hij in 1888 naar Bussum was verhuisd begon hij ook te lithograferen. Van groot belang voor zijn verdere loopbaan was het verzoek van de hoofdredacteur van het weekblad De Amsterdammer, waarvoor hij al enige tijd af en toe recensies schreef, om vanaf 1891 regelmatig portretlitho's van bekende personen te vervaardigen om als bijlage bij het blad te verspreiden. Hij zou tot 1896, toen hij onenigheid met de redactie kreeg, aan het tijdschrift meewerken en in totaal 32 portretten leveren van vele vooraanstaande figuren uit de politiek, de wetenschap en de cultuur. Vervolgens begon hij aan een nieuwe serie in De Kroniek, waarvoor hij tot 1905 nog eens 17 portretten lithografeerde. Dankzij dit werk was zijn faam als portrettist onomstotelijk gevestigd en kwamen in groten getale de opdrachten binnen voor portretten in olieverf. Samen met Pieter de Josselin de Jong, H.J. Haverman en Thérèse Schwartze (1851-1918) was Veth rond 1900 dè portret-specialist in Nederland, waarbij hij en Schwartze hun cliëntèle hoofdzakelijk in en om Amsterdam hadden, terwijl De Josselin de Jong en Haverman vooral in Den Haag werkzaam waren.
Ondertussen was Veth ook steeds actief gebleven als schrijver over kunst. Zo verdedigde hij in 1892 in een brochure de wandschilderingen van zijn vriend Derkinderen tegen behoudende kritiek - waarbij hij en passant de term 'Gemeenschapskunst' uitvond - en vertaalde hij in 1893 het invloedrijke boek Claims of Decorative Art van Walter Crane (dat onder de titel Kunst en Samenleving uitkwam in een zeer opvallend grafische vormgeving van de hand van G.W. Dijsselhof). Van een recensent van eigentijdse kunst ontwikkelde hij zich echter langzamerhand tot een kunsthistoricus die zich in het bijzonder interesseerde voor de Nederlandse schilderkunst uit de 17de eeuw. Vooral als kenner van het werk van Rembrandt kreeg hij veel gezag, hetgeen in 1906 resulteerde in een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam, ter gelegenheid van de viering van Rembrandts 300ste geboortedag. Later kreeg hij nog zitting in diverse commissies op het terrein van monumentenzorg en museumwezen. In 1918 werd hij tenslotte tot buitengewoon hoogleraar aan de Rijksakademie benoemd. Nadat hij in 1924 weer naar Amsterdam was verhuisd, om dichter bij zijn werk te wonen, overleed hij het jaar daarop onverwachts na een ziekte van enkele weken, op nog maar 60-jarige leeftijd.


vorige | volgende


View Vereniging Vrienden Nieuwe Kunst 1900 - LinkedIn Group

wijzig lettergrootte

 


koning

Konings Kunst
van Parijs tot de Veluwe,
(auteur Elizabeth Yates)
Schaffelaarsreeks nr. 45,
Uitgave Koninklijke BDU Uitgevers B.V., Barneveld, 2008

essers

Bernard Essers
1893-1945

(auteurs Piet Spijk &
Annemarie Timmer)
Uitgave Drents Museum en Waanders Uitgevers, 2008

moulyn_pub

Simon Moulijn
1866-1948

(auteurs Erik Ariëns Kappers,
Maarten Bunt,
Jan Jaap Heij)
Uitgave Drents Museum, Dordrechts Museum, Goltziusmuseum,
1979