vvnk_hoofd

Kunstenaars & fabrieken

Korte beschrijvingen

De hieronder vermelde kunstenaars en fabrieken worden beschreven in de publicatie 'Vernieuwing & Bezinning'. Deze is in 2004 uitgegeven door het Drents Museum en Waanders Uitgevers (sinds enkele jaren WBOOKS) in samenwerking met de SSK 1900 en de financiële steun van de VVNK 1900. De beschrijvingen zijn met toestemming overgenomen uit deze publicatie. Auteur: Jan Jaap Heij, (inmiddels oud-)conservator Drents Museum.
Deze beschrijvingen worden in de loop van de tijd aangevuld met korte monografiën over kunstenaars die niet in deze publicatie beschreven zijn.

De totale lijst met kunstenaars is als pdf document te openen en op te slaan.

Raadpleeg alfabetische namenlijst of afbeeldingenlijst of zoek met 1 woord in

kunstenaarslijst kunstenaarsbeschrijving

namenlijst | afbeeldingenlijst

Beschrijving per kunstenaar/fabriek

vorige | volgende

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

98. Nienhuis, Lambertus (Bert)
(Groningen 1873 - 1960 Amsterdam)
ceramist, ontwerper van sieraden
Nienhuis kreeg zijn opleiding aan Academie Minerva te Groningen en aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid te Amsterdam. In 1895 trad hij als schilder in dienst bij de Amsterdamse aardewerkfabriek 'De Distel', die kort daarvoor door J.M. Lob was opgericht. Na een jaar begon hij een eigen aardewerkfabriekje, 'Lotus', waar vooral tegels werden geproduceerd. In 1901 werd Lotus overgenomen door De Distel, waardoor hij hier weer terugkwam en er nu hoofdontwerper werd. In de jaren daarop ontwikkelde hij het karakteristieke matte glazuur, dat het aardewerk van De Distel uit deze periode zo sterk onderscheidt van dat van de andere Nederlandse producenten van Art Nouveau-ceramiek. Het heeft bovendien tevens een duidelijk eigen stijl van decoratie, die gekenmerkt wordt door een lichte basistint, waarop een sober patroon van vrij strakke, geometrische motieven is aangebracht in een beperkt aantal, zachte kleuren. Met dergelijk aardewerk - zowel sier- en gebruiksvoorwerpen als tegels - kreeg de fabriek spoedig succes: het verkocht goed, ook naar het buitenland, en behaalde prijzen op diverse grote internationale tentoonstellingen (o.a. zilver in Saint Louis in 1904, een erediploma in Milaan in 1906 en een Grand Prix in Turijn in 1911).
Vanaf 1905 gaf Nienhuis les aan de Kunstnijverheidsschool te Haarlem, terwijl hij daarnaast sieraden begon te ontwerpen voor de juweliersfirma Hoeker & Zoon. Hiermee behaalde hij in 1910 een zilveren medaille op de Wereldtentoonstelling te Brussel. Een cruciaal moment in zijn loopbaan kwam in 1912, toen hij werd uitgenodigd om docent te worden aan een nieuwe kunstnijverheidsopleiding in Hagen (Duitsland), waarvan J.L.M. Lauweriks directeur was. Dankzij het mecenaat van Karl Ernst Osthaus was Hagen een bloeiend centrum van toegepaste kunst geworden, waar o.a. Henry van de Velde, Peter Behrens, Johan Thorn Prikker en Frans Zwollo werkzaam waren. Nienhuis kreeg er de beschikking over een goed uitgerust atelier, dat hem in de gelegenheid stelde met allerlei nieuwe materialen en technieken te experimenteren. Zo begon hij hier o.a met het vervaardigen van vrij grote ceramische sculpturen.
Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog duurde de Hagense periode van Nienhuis echter maar kort en in 1916 keerde hij, evenals Lauweriks, terug naar Amsterdam. Daar werd hij in 1917 docent aan de Quellinusschool, waarvan Lauweriks inmiddels directeur was geworden. Aan deze school (die in 1924 met enkele andere scholen fuseerde tot het 'Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs) zou hij tot zijn pensionering in 1938 verbonden blijven. Daarnaast ging hij in zijn eigen pottenbakkerij unica vervaardigen, die gekenmerkt worden door eenvoudige, plastische vormen. Deze vertonen doorgaans geen verdere decoratieve detaillering of beschildering en zijn bedekt met loopglazuren, waarmee vaak zeer bijzondere kleureffecten zijn verkregen, die blijk geven van een sterke inspiratie op voorbeelden uit Japan. Rond 1948 maakte hij opnieuw een kleine serie opmerkelijke sculptuur-achtige objecten, die zijn opgebouwd uit aan de natuur ontleende motieven.
Nienhuis belangrijkste bijdrage aan de Nederlandse ceramieknijverheid is echter de ontwikkeling van het matte glazuur geweest, dat al spoedig nadat De Distel er mee op de markt kwam door andere fabrieken werd nagevolgd, met name door Zuid-Holland in Gouda. Als 'Gouds plateel' zou het met bonte patronen beschilderde matte sieraardewerk van deze fabriek (en daarna nog van meerdere andere fabrieken) de wereldmarkt veroveren.


vorige | volgende


View Vereniging Vrienden Nieuwe Kunst 1900 - LinkedIn Group

wijzig lettergrootte

 


koning

Konings Kunst
van Parijs tot de Veluwe,
(auteur Elizabeth Yates)
Schaffelaarsreeks nr. 45,
Uitgave Koninklijke BDU Uitgevers B.V., Barneveld, 2008

essers

Bernard Essers
1893-1945

(auteurs Piet Spijk &
Annemarie Timmer)
Uitgave Drents Museum en Waanders Uitgevers, 2008

moulyn_pub

Simon Moulijn
1866-1948

(auteurs Erik Ariëns Kappers,
Maarten Bunt,
Jan Jaap Heij)
Uitgave Drents Museum, Dordrechts Museum, Goltziusmuseum,
1979